Uit je comfortzone

fohn
Als je genoeg hebt van alle scheidingsshizzle, niemand naar je luistert, of ernstig behoefte hebt aan mannelijke aandacht: overweeg dan een skiweekend met vriendinnen.

Dat is wat ik deed. Niet geheel om bovenstaande redenen, want daar kwam ik later achter, maar gewoon omdat ik weer zin had om te skiën. En dat zonder mama-geroep. Heel belangrijk die nuance. Skiën met of zonder kids, totaal verschillend. Google leerde ons dat Sankt Anton, the place to be was.

Vriendin Babs en ik leenden de auto van mijn vader en gingen midden in de nacht op pad naar het Vorarlberg. Na een reis van negen uur kwamen we in de plenzende regen aan. We besloten een taxi te pakken die ons naar de leukste après ski van het dorp zou brengen: dat werd de MOOSERWIRT, volgens de chauffeur. En de Mooserwirt is groot, maar voelt klein, als je met 1000 man in een houten blokhut staat te hossen, omdat het buiten regent.

“Hé blondje, zin om straks mee te gaan” vroeg een Brabander die er geen doekjes om wond. Normaal waardeer ik directheid, maar dit ging te snel. Ik bedankte hem vriendelijk. Aprèsski-hit ‘Das Rotes Gumiboot’ werd ingezet en een piepjonge Duitser sprak me aan en complimenteerde me met mijn bloemetjesbh-bandje. Weer maakte ik me uit de voeten. We gingen veilig aan de bar zitten, alles op ons gemak bekijken. Naast me zat een lange blonde man, met blauwe ogen. Hij groette vriendelijk en bestelde weer een tequila. Hij vroeg of ik ook wilde. Waarom niet.

Zijn Engels deed me denken aan Jamie Lallybroch uit de Netflixserie Outlander, hij leek er zelfs een beetje op. Het was een Noor. En Noren zijn stug, dacht ik. Reigard was ook een beetje stug, maar wel charmant. Niet doorzichtig in ieder geval. Hij deed in staal, net als mijn opa, dus goed volk. Ik kreeg SNUS van hem. Een propje tabak dat je onder je lip moet stoppen tegen je tandvlees aan. Iedereen deed dat in Oslo. Hij ook, dus ik ook. Ik hing aan zijn lippen, niet omdat ik het verhaal zo boeiend vond, maar omdat die snus me zo draaierig maakte dat ik niet meer op mijn kruk kon blijven zitten.

Buiten kwam ik weer een beetje bij. En buiten kwamen we er ook achter, dat de enige weg naar beneden, via de skipiste was. Maar we hadden geen ski’s, wel een opblaasradio, die ik had gevangen in de Mooserwirt en met mijn leven had bewaakt. Boudewijn uit Blaricum had ook geen ski’s, dus ging ik achterop bij Boudewijn op de opblaasradio.

Eenmaal beneden namen Babs en ik met sneeuwbillen plaats in een restaurant. Toen we aan de Jagerthee zaten, kwamen de Vikingen ook binnen, waaronder Reigard. Ze hadden elders een tafel gereserveerd en vroegen of we meegingen. We bedankten vriendelijk, omdat we zo moe waren, maar vooral omdat onze billen nog nat waren en bijna necrotiseerden van de kou. Maar de Vikingen hadden een oplossing: In hun hotelkamer boven het restaurant hadden ze namelijk een “Assblower”. Ze wilden eventueel wel meehelpen onze “ass” droog te blazen.

Even overwogen we het, maar concludeerden toen dat de Noren even doorzichtig waren als de directe Nederlanders. Foei! We bedankten vriendelijk en dropen af. Tijdens de rit naar huis besefte ik dat ik mijn pruik nog niet had afgezet. De Noren waren aardig en wat was er mis met zo’n avontuur, ademloos door de nacht gaan? Niets, het was mijn puriteinse inborst dat me tegenhield. Misschien moest ik eerst maar eens leren af en toe buiten de lijntjes te kleuren. Life begins at the end of your comfortzone, luidt het cliché toch?

“Atemlos durch die Nacht”    Helene Fisher